Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aufgreifen
01
arresteren, in hechtenis nemen
Jemanden offiziell festnehmen oder in Gewahrsam nehmen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
greifen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
greife auf
3e persoon enkelvoud
greift auf
onvoltooid deelwoord
aufgreifend
onvoltooid verleden tijd
griff auf
voltooid deelwoord
aufgegriffen
Voorbeelden
Durch Videoüberwachung griffen sie den Ladendieb schnell auf.
Door middel van videobewaking hebben ze de winkeldief snel aangehouden.
02
adopteren, oppakken
Ein Thema, eine Anregung oder Idee aufnehmen und weiterentwickeln
Voorbeelden
Die Designerin griff den Vintage-Trend in ihrer Kollektion auf.
De ontwerpster nam de vintage trend op in haar collectie.



























