Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
aufgeben
01
verzenden, opsturen
Etwas an einem Schalter, bei der Post oder Bahn abgeben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
geben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
gebe auf
3e persoon enkelvoud
gibt auf
onvoltooid deelwoord
aufgebend
onvoltooid verleden tijd
gab auf
voltooid deelwoord
aufgegeben
Voorbeelden
Kannst du den Brief für mich aufgeben?
Kun je de brief voor mij posten?
02
opgeven, afzien van
Etwas nicht mehr versuchen
Voorbeelden
Sie hat das Rauchen vor einem Jahr aufgegeben.
Ze is een jaar geleden gestopt met roken.



























