Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
angehen
01
beginnen, starten
Planmäßig starten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe an
3e persoon enkelvoud
geht an
onvoltooid deelwoord
angehend
onvoltooid verleden tijd
ging an
voltooid deelwoord
angegangen
Voorbeelden
Die Vorstellung geht pünktlich um 20 Uhr an, Verspätungen werden nicht eingelassen.
De voorstelling begint stipt om 20:00 uur; laatkomers worden niet toegelaten.
02
betreffen, aangaan
Jemanden oder etwas betreffen
Voorbeelden
Diese Entscheidung geht alle Mitarbeiter an.
Deze beslissing gaat alle werknemers aan.
03
aanpakken, benaderen
Etwas aktiv bewältigen
Voorbeelden
Sie ging die Renovierung Zimmer für Zimmer an.
Ze pakte de renovatie kamer voor kamer aan.
04
iemand aanspreken, iemand om iets vragen
Jemanden um etwas bitten
Voorbeelden
Ein Fremder ging mich im Bus um Kleingeld an.
Een vreemdeling benaderde me in de bus om kleingeld te vragen.
05
aanzetten, inschakelen
Aktiviert werden
Voorbeelden
Als der Strom zurückkam, gingen alle Straßenlaternen gleichzeitig an.
Toen de stroom terugkwam, gingen alle straatlantaarns tegelijkertijd aan.



























