traiter
01
behandelen, zich gedragen
agir envers quelqu'un d'une certaine manière
Voorbeelden
Les enseignants traitent tous les élèves de manière équitable.
Leerkrachten behandelen alle leerlingen op een eerlijke manier.
02
behandelen, verzorgen
donner un soin ou un traitement pour guérir une maladie
Voorbeelden
Il a été traité pour une grippe sévère.
Hij werd behandeld voor een ernstige griep.
03
noemen, bijnaam geven
donner un nom ou un surnom à quelqu'un, ou attribuer un qualificatif
Voorbeelden
On ne doit pas traiter quelqu' un d' injuste.
Je moet iemand niet noemen als oneerlijk.
04
behandelen, aansnijden
examiner, analyser ou aborder un sujet ou un problème
Voorbeelden
Il faut traiter ce problème rapidement.
Dit probleem moet snel aangepakt worden.
05
onderhandelen, behandelen
discuter ou négocier pour résoudre un problème ou conclure un accord
Voorbeelden
Les diplomates traitent pour trouver une solution pacifique.
De diplomaten onderhandelen om een vreedzame oplossing te vinden.
06
verwerken, zuiveren
purifier, nettoyer ou préparer quelque chose
Voorbeelden
Cette solution permet de traiter le métal.
Deze oplossing maakt het mogelijk om het metaal te behandelen.
07
onderzoeken, analyseren
examiner, analyser ou travailler sur un document, un projet ou une matière
Voorbeelden
Les étudiants traitent leurs devoirs avant de les rendre.
De studenten verwerken hun opdrachten voordat ze ze inleveren.



























