Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
trahir
01
verraden, bedriegen
ne pas être fidèle à quelqu'un, agir contre lui
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
trahis
1e persoon meervoud
trahissons
1e persoon toekomende tijd
trahirai
onvoltooid deelwoord
trahissant
voltooid deelwoord
trahi
1e persoon meervoud imperfectum
trahissions
Voorbeelden
Ils ont trahi leurs promesses.
Ze verraadden hun beloften.
02
verraden, onthullen
révéler sans le vouloir un sentiment ou une pensée cachée, par un geste, un regard, la voix, etc.
Voorbeelden
Son sourire trahissait sa joie intérieure.
Zijn glimlach verraadde zijn innerlijke vreugde.



























