Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to trail
01
slepen, worden getrokken
to be pulled along by a leading force
Intransitive
Voorbeelden
The long scarf trailed in the breeze as she walked along the beach.
De lange sjaal sleepte in de wind terwijl ze langs het strand liep.
02
volgen, schaduwen
to pursue or follow someone or something closely
Transitive: to trail sb/sth
Voorbeelden
The curious cat trailed the scent of food from the kitchen to the dining room.
De nieuwsgierige kat volgde de geur van eten van de keuken naar de eetkamer.
03
slepen, wapperen
to extend in a loose and flowing manner, often touching or brushing against the ground
Intransitive
Voorbeelden
Vines and foliage trailed from the balcony, giving the building a picturesque and organic appearance.
Wingerds en gebladerte hingen vanaf het balkon, wat het gebouw een schilderachtig en organisch uiterlijk gaf.
04
achterblijven, voort slepen
to proceed at a slow pace, often with a sense of fatigue or reluctance
Intransitive: to trail somewhere
Voorbeelden
After the marathon, the exhausted runners trailed toward the refreshment area for a well-deserved break.
Na de marathon sleepten de uitgeputte lopers zich naar het verfrissingsgebied voor een welverdiende pauze.
01
pad, spoor
a path or track that has been roughly marked or cleared, often found in wild or hilly terrain
Voorbeelden
A well-worn trail led to the hidden waterfall deep in the hills.
Een goed belopen pad leidde naar de verborgen waterval diep in de heuvels.
02
pad, spoor
a track, mark, or sign left behind by something that has moved through an area
Voorbeelden
The spilled paint created a messy trail on the floor.
De gemorste verf liet een rommelig spoor achter op de vloer.
03
spoor, aanwijzing
evidence or clues that indicate a possible solution or lead to an answer
Voorbeelden
Investigators pursued the trail left behind by the suspect.
Onderzoekers volgden het spoor dat de verdachte achterliet.
Lexicale Boom
trailer
trailing
trail



























