Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to shut down
01
uitschakelen, afsluiten
to make something stop working
Transitive: to shut down a device or machine
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
down
basiswerkwoord
shut
tegenwoordige tijd
shut down
3e persoon enkelvoud
shuts down
onvoltooid deelwoord
shutting down
onvoltooid verleden tijd
shut down
voltooid deelwoord
shut down
Voorbeelden
He shut the computer down after finishing his work.
Hij schakelde de computer uit na het voltooien van zijn werk.
02
sluiten, de activiteiten staken
to close a business, factory, or organization, either temporarily or permanently
Transitive: to shut down a business or factory
Voorbeelden
The manager decided to shut the store down due to declining sales.
De manager besloot de winkel te sluiten vanwege dalende verkopen.
03
afwijzen, sluiten
to dismiss someone's ideas, proposals, or advances, often in a direct or abrupt manner
Transitive: to shut down an idea or proposal
Voorbeelden
The team lead shut down the irrelevant discussions to focus on the main agenda.
De teamleider beëindigde de irrelevante discussies om zich te concentreren op de hoofdagenda.
04
inhalen, voorbijgaan
to pass or overtake another vehicle, often quickly or decisively
slang
Voorbeelden
I opened that throttle and shut him down.
Ik opende die gashendel en haalde hem in.



























