Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to screw up
01
verpesten, verprutsen
to ruin a situation through mistakes or poor judgment
Transitive: to screw up a situation
slang
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
screw
tegenwoordige tijd
screw up
3e persoon enkelvoud
screws up
onvoltooid deelwoord
screwing up
onvoltooid verleden tijd
screwed up
voltooid deelwoord
screwed up
Voorbeelden
He didn't want to screw up the important presentation, so he practiced diligently.
Hij wilde de belangrijke presentatie niet verknallen, dus oefende hij ijverig.
02
verergeren, intensiveren
to intensify a situation or problem
Transitive: to screw up a problem
Voorbeelden
The cold weather screwed up my arthritis.
Het koude weer heeft mijn artritis verergerd.
03
vertrekken, vervormen
to twist one's face into an expression of discomfort, displeasure, or tension
Transitive: to screw up one's face
Voorbeelden
She screwed up her face when she tasted the sour lemon.
Ze vertrok haar gezicht toen ze de zure citroen proefde.
04
vastdraaien, aandraaien
to fasten something by rotating it often in a clockwise direction
Transitive: to screw up sth
Voorbeelden
The plumber had to screw the faucet up tightly to prevent any water leaks.
De loodgieter moest de kraan stevig vastdraaien om waterlekken te voorkomen.
05
verfrommelen, strak oprollen
to fold something by twisting it tightly
Transitive: to screw up a piece of paper or fabric
Voorbeelden
He screwed up the letter and threw it in the trash in frustration.
Hij verfrommelde de brief en gooide hem gefrustreerd in de prullenbak.
06
verpesten, emotioneel in de war brengen
to cause someone to be emotionally or mentally disturbed
Transitive: to screw up sb
Voorbeelden
The harsh criticism from his supervisor really screwed him up emotionally.
De harde kritiek van zijn supervisor heeft hem emotioneel echt in de war gebracht.



























