Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to mix up
01
verwarren, door elkaar halen
to unintentionally change the arrangement or order of a group of things, often leading to confusion or errors
Transitive: to mix up the order of a set of things
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
mix
tegenwoordige tijd
mix up
3e persoon enkelvoud
mixes up
onvoltooid deelwoord
mixing up
onvoltooid verleden tijd
mixed up
voltooid deelwoord
mixed up
Voorbeelden
She often mixes up the order of the steps when following a recipe.
Ze verwart vaak de volgorde van de stappen wanneer ze een recept volgt.
02
verwarren, in de war brengen
to cause someone to become confused
Transitive: to mix up sb
Voorbeelden
The unexpected change in plans really mixed me up; I wasn't sure what to do next.
De onverwachte verandering in de plannen heeft me echt in de war gebracht; ik wist niet zeker wat ik vervolgens moest doen.
03
verwarren, door elkaar halen
to fail to recognize a person or thing properly by assuming that they are another person or thing
Transitive: to mix up two people or things | to mix up sb/sth with sb/sth
Voorbeelden
They look so alike that it's easy to mix them up.
Ze lijken zo op elkaar dat het gemakkelijk is om ze te verwarren.
04
mengen, mixeren
to prepare something by combining different ingredients to create a mixture
Transitive: to mix up ingredients
Voorbeelden
In a blender, you can mix up fruits and yogurt to create a delicious smoothie.
In een blender kun je fruit en yoghurt mixen om een heerlijke smoothie te maken.



























