abut
a
ə
ē
but
ˈbət
bēt
/ɐbˈʌt/

Definitie en betekenis van "abut"in het Engels

to abut
01

grenzen aan, aangrenzen

to adjoin or border upon something, typically in a direct manner
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
abut
3e persoon enkelvoud
abuts
onvoltooid deelwoord
abutting
onvoltooid verleden tijd
abutted
voltooid deelwoord
abutted
Voorbeelden
The sidewalk is currently abutting the construction site, causing inconvenience for pedestrians.
Het trottoir grenst momenteel aan de bouwplaats, wat overlast veroorzaakt voor voetgangers.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store