Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to arrange
01
organiseren, schikken
to organize items in a specific order to make them more convenient, accessible, or understandable
Transitive: to arrange items
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
arrange
3e persoon enkelvoud
arranges
onvoltooid deelwoord
arranging
onvoltooid verleden tijd
arranged
voltooid deelwoord
arranged
Voorbeelden
The museum curator will arrange the artifacts chronologically to take visitors through a journey in time.
De museumcurator zal de artefacten chronologisch rangschikken om bezoekers mee te nemen op een reis door de tijd.
02
afspreken, overeenkomen
to establish an agreement or understanding about something
Transitive: to arrange to do sth
Voorbeelden
They arranged to meet at the café after work.
Ze regelden om na het werk in het café af te spreken.
03
regelen, organiseren
to make plans for a future event
Transitive: to arrange a plan
Voorbeelden
She arranged a meeting with her colleagues to discuss the project.
Ze heeft een vergadering met haar collega's geregeld om het project te bespreken.
04
arrangeren, aanpassen
to modify a play, song, or performance to make it suitable for broadcasting or another medium
Transitive: to arrange a written work for a medium
Voorbeelden
The director arranged the play for a live television broadcast.
De regisseur arrangeerde het toneelstuk voor een live televisie-uitzending.
05
arrangeren, aanpassen
to adapt or change the musical composition of a piece
Transitive: to arrange a musical piece
Voorbeelden
The composer arranged the orchestral piece for a brass ensemble, giving it a majestic and regal sound.
De componist arrangeerde het orkeststuk voor een koperensemble, waardoor het een majestueus en koninklijk geluid kreeg.
Lexicale Boom
arranged
arrangement
arranger
arrange



























