Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
öffnen
01
openen
Etwas aufmachen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
öffne
3e persoon enkelvoud
öffnet
onvoltooid deelwoord
öffnend
onvoltooid verleden tijd
öffnete
voltooid deelwoord
geöffnet
Voorbeelden
Sie öffnet das Buch.
Zij opent het boek.
02
openen, ontgrendelen
Aufgehen oder zugänglich werden
Voorbeelden
Die Blume öffnet sich am Morgen.
De bloem opent zich 's ochtends.
03
zich openstellen
Sich jemandem anvertrauen
Voorbeelden
Wir öffnen uns langsam.
We openen ons langzaam.



























