Zoeken
sich setzen
01
gaan zitten
Sich auf eine Fläche zum Sitzen bewegen
Voorbeelden
Wir setzen uns auf die Bank im Park.
We gaan zitten op de bank in het park.
02
plaatsen, zetten
Etwas irgendwohin stellen oder legen
Voorbeelden
Setz bitte das Buch ins Regal.
Zet het boek op de plank.
03
vaststellen, bepalen
Ein Ziel, eine Regel oder einen Zeitpunkt bestimmen
Voorbeelden
Wir setzen einen neuen Termin.
Wij stellen een nieuwe afspraak vast.
04
planten
Etwas in die Erde bringen, um es wachsen zu lassen
Voorbeelden
Ich setze neue Blumen ins Beet.
Ik plant nieuwe bloemen in het perk.
05
wedden, inzetten
Geld oder etwas anderes riskieren, um etwas zu gewinnen
Voorbeelden
Wir setzen alles auf eine Karte.
We zetten alles op één kaart.
06
opslaan, bewaren
Etwas lagern oder speichern
Voorbeelden
Er setzt die Briketts ordentlich.
Hij stapelt de briketten netjes.
07
schrijven, inschrijven
Etwas schriftlich oder bildlich platzieren
Voorbeelden
Sie setzt ein Zeichen auf die Karte.
Zij plaatst een teken op de kaart.
08
springen
Von einer Seite zur anderen springen
Voorbeelden
Der Hund setzt über die Mauer.
Springen helpt de hond over de muur te komen.


























