Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
nehmen
01
nemen, pakken
Etwas in die Hand nehmen oder erhalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
nehme
3e persoon enkelvoud
nimmt
onvoltooid deelwoord
nehmend
onvoltooid verleden tijd
nahm
voltooid deelwoord
genommen
Voorbeelden
Er nimmt das Geschenk dankend an.
Hij accepteert nemen het cadeau met dankbaarheid.
02
oppakken, nemen
Etwas von einem Ort entfernen
Voorbeelden
Nimm deine Jacke vom Stuhl!
Neem je jas van de stoel !
03
nemen
Ein Verkehrsmittel benutzen
Voorbeelden
Nimmst du die U-Bahn oder ein Taxi?
Neem je de metro of een taxi?
04
innemen, consumeren
Medikamente oder Nahrung zu sich nehmen
Voorbeelden
Ich nehme keinen Zucker im Kaffee.
Ik neem geen suiker in de koffie.
05
gebruiken, benutten
Etwas benutzen
Voorbeelden
Sie nahm ein Taschentuch.
Ze nam een zakdoek.
06
afleggen, doorbrengen
Eine Prüfung ablegen oder Zeit verbringen
Voorbeelden
Wir nehmen uns Zeit für dich.
We nemen tijd voor je.
07
bezetten, innemen
Militärisch einnehmen
Voorbeelden
Sie nahmen das Gebäude in Besitz.
Ze namen het gebouw in bezit.
08
nemen, zich toe-eigenen
Sich etwas aneignen
Voorbeelden
Das Projekt nimmt viel Zeit in Anspruch.
Het project neemt veel tijd in beslag.



























