Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
noter
01
beoordelen, een cijfer geven
évaluer la qualité ou la performance de quelqu'un ou quelque chose avec un chiffre ou une mention
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
note
1e persoon meervoud
notons
1e persoon toekomende tijd
noterai
onvoltooid deelwoord
notant
voltooid deelwoord
noté
1e persoon meervoud imperfectum
notions
Voorbeelden
Il faut noter ce projet avant la fin du mois.
Dit project moet voor het einde van de maand beoordeeld worden.
02
noteren, opschrijven
écrire quelque chose pour s'en souvenir ou pour l'exprimer
Voorbeelden
Il faut noter les numéros avant de partir.
Je moet de nummers noteren voordat je vertrekt.
03
opmerken, waarnemen
comprendre ou se rendre compte de quelque chose
Voorbeelden
Il a noté une erreur dans le rapport.
Hij merkte een fout in het rapport op.



























