Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
marquer
01
scoren, een doelpunt maken
inscrire un point dans un jeu sportif
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
marque
1e persoon meervoud
marquons
1e persoon toekomende tijd
marquerai
onvoltooid deelwoord
marquant
voltooid deelwoord
marqué
1e persoon meervoud imperfectum
marquions
Voorbeelden
Notre équipe pourrait marquer avant la mi-temps.
Ons team zou voor de rust kunnen scoren.
02
markeren, aanduiden
faire une trace ou une indication visible
Voorbeelden
J' ai marqué ton nom sur la liste.
Ik heb je naam op de lijst gemarkeerd.
03
indruk maken, een blijvende indruk achterlaten
laisser une impression durable sur quelqu'un
Voorbeelden
Cette rencontre a marqué ma jeunesse.
Deze ontmoeting heeft mijn jeugd getekend.
04
aankondigen, verkondigen
rendre public ou faire connaître officiellement
Voorbeelden
Ils ont marqué leur opposition clairement.
Ze hebben hun verzet duidelijk gemarkeerd.



























