Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
doter
01
uitrusten, toerusten
équiper ou fournir des outils ou des ressources matérielles
Voorbeelden
Nous devons doter le laboratoire de meilleurs instruments.
We moeten het laboratorium uitrusten met betere instrumenten.
02
uitzetten, een bruidsschat geven
donner une dot à une future mariée
old use
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
dote
1e persoon meervoud
dotons
1e persoon toekomende tijd
doterai
onvoltooid deelwoord
dotant
voltooid deelwoord
doté
1e persoon meervoud imperfectum
dotions
Voorbeelden
Dans ce roman, la jeune fille n' est pas dotée et ne peut se marier.
In deze roman is het jonge meisje niet uitgehuwelijkt en kan ze niet trouwen.
03
uitrusten, begiftigen
donner des qualités, des ressources ou des avantages
Voorbeelden
La ville a doté le musée d' une collection exceptionnelle.
De stad voorzag het museum van een uitzonderlijke collectie.



























