Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
doubler
01
inhalen, voorbijrijden
dépasser quelqu'un ou quelque chose, souvent en conduisant
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
double
1e persoon meervoud
doublons
1e persoon toekomende tijd
doublerai
onvoltooid deelwoord
doublant
voltooid deelwoord
doublé
1e persoon meervoud imperfectum
doublions
Voorbeelden
Elle a doublé le camion lentement et prudemment.
Ze haalde de vrachtwagen langzaam en voorzichtig in.
02
multiplier par deux, rendre deux fois plus grand
Voorbeelden
Le prix des logements a doublé en dix ans.
03
nasynchroniseren, de stem lenen
prêter sa voix pour une traduction, une version doublée ou une correction sonore
Voorbeelden
Ils doublent un dessin animé ensemble.
Ze nasynchroniseren samen een animatiefilm.



























