Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
coller
01
plakken, vastplakken
fixer une chose à une autre avec de la colle ou en appuyant fortement
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
colle
1e persoon meervoud
collons
1e persoon toekomende tijd
collerai
onvoltooid deelwoord
collant
voltooid deelwoord
collé
1e persoon meervoud imperfectum
collions
Voorbeelden
Les enfants adorent coller des autocollants.
Kinderen houden ervan om stickers te plakken.
02
plakken, invoegen
insérer un texte, une image ou un fichier copié dans un document ou un programme
Voorbeelden
Elle a collé l' adresse dans le champ de recherche.
Ze heeft het adres in het zoekveld geplakt.
03
zakken, niet slagen
ne pas réussir un examen ou une épreuve
Voorbeelden
Elle a collé à l' oral de français.
Ze is gezakt voor het mondelinge Frans examen.
04
overeenkomen, passen
être en accord ou compatible avec quelque chose
Voorbeelden
Leur version des événements ne colle pas.
Hun versie van de gebeurtenissen klopt niet.
05
plakken, drukken
mettre quelque chose contre une surface ou très près d'une autre chose
Voorbeelden
Le chat a collé son nez à la vitre.
De kat drukte zijn neus tegen het raam.



























