Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
accabler
01
overweldigen, belasten
écraser physiquement ou moralement, fatiguer ou abattre fortement
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
accable
1e persoon meervoud
accablons
1e persoon toekomende tijd
accablerai
onvoltooid deelwoord
accablant
voltooid deelwoord
accablé
1e persoon meervoud imperfectum
accablions
Voorbeelden
Les soucis financiers accablaient la famille.
Financiële zorgen drukten zwaar op het gezin.
02
overweldigen, belasten
importuner quelqu'un en le surchargeant de reproches, de demandes, de travail, ou même d'attentions excessives
Voorbeelden
Ils accablaient leur invité de questions.
Ze overstelpten hun gast met vragen.
03
overweldigen, onderdrukken
remplir quelqu'un de sentiments ou d'émotions trop intenses (douleur, honte, bonheur, etc.)
Voorbeelden
Ils l' accablaient de bonheur avec toutes leurs attentions.
Ze overstelpten hem met geluk met al hun aandacht.
04
buigen, krommen
courber quelqu'un sous un poids, le plier physiquement ou symboliquement
Voorbeelden
Sous le poids des pierres, le pont semblait accablé.
Onder het gewicht van de stenen leek de brug overweldigd.



























