Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to improvise
01
improviseren, ter plekke verzinnen
to create and perform words of a play, music, etc. on impulse and without preparation, particularly because one is forced to do so
Intransitive
Transitive: to improvise a performance
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
improvise
3e persoon enkelvoud
improvises
onvoltooid deelwoord
improvising
onvoltooid verleden tijd
improvised
voltooid deelwoord
improvised
Voorbeelden
When the actor forgot his lines, he had to improvise to keep the scene going.
Toen de acteur zijn teksten vergat, moest hij improviseren om de scène gaande te houden.
02
improviseren, werken met wat voorhanden is
to create or make something using whatever materials or resources are available
Transitive: to improvise sth
Voorbeelden
When the power went out, she had to improvise a flashlight using her phone.
Toen de stroom uitviel, moest ze een zaklamp improviseren met haar telefoon.
Lexicale Boom
improvised
improvise



























