to belie
Pronunciation
/bɪˈɫaɪ/

Definitie en betekenis van "belie"in het Engels

to belie
01

weerspreken, tegenspreken

to fail to live up to a claim, promise, or expectation
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
belie
3e persoon enkelvoud
belies
onvoltooid deelwoord
belying
onvoltooid verleden tijd
belied
voltooid deelwoord
belied
Voorbeelden
The team 's winless season belied preseason predictions of a championship run.
Het winloze seizoen van het team weersprak de voorseizoensvoorspellingen van een titelrace.
02

weerspreken, tegenspreken

to create an impression of something or someone that is false
Voorbeelden
Her friendly smile belies a competitive nature.
Haar vriendelijke glimlach verbergt een competitieve aard.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store