Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Practice
01
praktijk, oefening
the act of repeatedly doing something to become better at doing it
Voorbeelden
Language practice through conversation partners can enhance your fluency.
Taaloefening door middel van gesprekspartners kan uw vloeiendheid verbeteren.
02
praktijk
the act of applying or implementing an idea, theory, or plan into real-world actions or activities
Voorbeelden
The practice of this teaching method has shown significant improvement in student engagement.
De praktijk van deze onderwijsmethode heeft een significante verbetering in studentenbetrokkenheid getoond.
03
praktijk, gewoonte
a habitual or customary way of doing something; a repeated or regular action or behavior
Voorbeelden
The doctor 's office has a practice of calling patients the day before their appointments.
De dokter heeft de gewoonte om patiënten de dag voor hun afspraak te bellen.
04
praktijk, kantoor
the professional work or business of a doctor, lawyer, dentist, or other experts providing services to clients or patients
Voorbeelden
Her dental practice has been serving the community for over 20 years.
Haar tandheelkundige praktijk dient de gemeenschap al meer dan 20 jaar.
05
praktijk, gewoonte
knowledge of how something is usually done
to practice
01
oefenen, trainen
to do or play something many times to become good at it
Dialect
American
Transitive: to practice a skill
Voorbeelden
In preparation for the upcoming exam, students are advised to practice solving a variety of questions and problems.
Ter voorbereiding op het komende examen wordt studenten geadviseerd om te oefenen met het oplossen van verschillende vragen en problemen.
1.1
trainen, oefenen
to train someone or something by making them do an activity or skill many times to improve it
Voorbeelden
The teacher practiced the class in reading aloud.
De leraar oefende de klas in hardop lezen.
02
uitoefenen, praktiseren
to actively engage in the duties, activities, or tasks associated with a specific job or profession
Dialect
American
Transitive: to practice a profession
Voorbeelden
The architect opened her own firm to practice architecture and bring her innovative designs to life.
De architect opende haar eigen bureau om architectuur te beoefenen en haar innovatieve ontwerpen tot leven te brengen.
03
beoefenen, uitoefenen
to do or carry out a method, action, or habit
Dialect
American
Transitive: to practice a method or activity
Voorbeelden
The company has been practicing eco-friendly methods for years.
Het bedrijf past al jaren milieuvriendelijke methoden toe.
3.1
beoefenen, volgen
to follow or live according to the rules, beliefs, or customs of a religion or tradition
Dialect
American
Transitive: to practice a religion or tradition
Voorbeelden
The community practices old cultural customs.
De gemeenschap oefent oude culturele gewoonten uit.
3.2
oefenen, beoefenen
to make a certain behavior a regular and natural part of daily life by doing it often
Voorbeelden
She is practicing positive thinking lately.
Ze is de laatste tijd positief denken aan het oefenen.
04
beramen, samenzweren
to secretly plan or carry out something, often for an evil or dishonest purpose
Voorbeelden
The criminals had been practicing to deceive the bank officials.
De criminelen hadden geoefend om de bankfunctionarissen te misleiden.
Lexicale Boom
practicable
practical
practice



























