Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Parade
01
parade, optocht
a public event where people or vehicles orderly move forward, particularly to celebrate a holiday or special day
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
parades
Voorbeelden
Thousands gathered to watch the festive parade on Main Street.
Duizenden verzamelden zich om de feestelijke parade op Main Street te bekijken.
Voorbeelden
Spectators lined the streets to watch the Victory Day parade honoring veterans.
Toeschouwers stonden langs de straten om de parade van de Dag van de Overwinning ter ere van veteranen te bekijken.
03
optocht, parade
a long and often showy sequence of people or things
Voorbeelden
The restaurant showcased a parade of gourmet dishes during the food festival.
Het restaurant toonde een parade van gourmetgerechten tijdens het voedselfestival.
04
parade, optocht
a public display meant to be seen and admired
Voorbeelden
Her garden was a parade of colorful flowers in full bloom.
Haar tuin was een parade van kleurrijke bloemen in volle bloei.
to parade
01
paraderen, pronkend lopen
to walk ostentatiously or confidently
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
parade
3e persoon enkelvoud
parades
onvoltooid deelwoord
parading
onvoltooid verleden tijd
paraded
voltooid deelwoord
paraded
Voorbeelden
The CEO paraded into the boardroom, signaling a shift in the company's direction.
De CEO paradeerde de vergaderzaal binnen, wat een verschuiving in de richting van het bedrijf aangaf.
02
paraderen, optochten
to walk or march through a public place in a formal procession or in a showy manner
Voorbeelden
The soldiers paraded down the main street during the national holiday.
De soldaten paradeerden door de hoofdstraat tijdens de nationale feestdag.



























