Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to loosen up
01
ontspannen, loskomen
to let go of tension and anxiety
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
loosen
tegenwoordige tijd
loosen up
3e persoon enkelvoud
loosens up
onvoltooid deelwoord
loosening up
onvoltooid verleden tijd
loosened up
voltooid deelwoord
loosened up
Voorbeelden
The parent told the child to loosen up and not be so afraid of the dark.
De ouder zei tegen het kind om zich te ontspannen en niet zo bang te zijn voor het donker.
02
losmaken, ontspannen
to stretch and relax someone's muscles, thereby increasing flexibility and reducing tension
Transitive: to loosen up muscles
Voorbeelden
The dancers loosened their muscles up before their performance.
De dansers maakten hun spieren los voor hun optreden.
03
ontspannen, losmaken
to make someone feel less tense or anxious
Transitive: to loosen up sb
Voorbeelden
The manager's encouraging words loosened up the stressed employees.
De aanmoedigende woorden van de manager maakten de gestreste werknemers losser.
04
ontspannen, losser worden
(of a situation or event) to become more relaxed and friendly
Intransitive
Voorbeelden
As the evening progressed, the atmosphere began to loosen up, and people started to chat more freely.
Naarmate de avond vorderde, begon de sfeer losser te worden, en mensen begonnen vrijer te praten.



























