verschlafen
verschlafen
fɛɐ̯ʃla:fn
feshlafn
verschaffenverschlagen

Definitie en betekenis van "verschlafen"in het Duits

verschlafen
01

te laat wakker worden, uitslapen

länger schlafen als geplant und dadurch zu spät kommen oder etwas verpassen 
verschlafen definition and meaning
Voorbeelden
Ich habe heute Morgen verschlafen und den Bus verpasst. 

Ik heb vanmorgen verslapen en de bus gemist.

02

slapen, in slaap zijn

schlafen, sich im Schlaf befinden 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
schlafen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
verschlafe
3e persoon enkelvoud
verschläft
onvoltooid deelwoord
verschlafend
onvoltooid verleden tijd
verschlief
voltooid deelwoord
verschlafen
Voorbeelden
Das Kind hat ruhig verschlafen. 

Het kind heeft rustig geslapen.

03

verslapen, door slapen missen

etwas Wichtiges nicht wahrnehmen oder verlieren, weil man geschlafen hat 
Voorbeelden
Ich habe den Wecker verschlafen. 

Ik heb de wekker verslapen.

01

slaperig, suf

Müde und benommen vom Schlaf 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
voltooid-deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord
kwalitatief
overtreffende trap
am verschlafensten
vergrotende trap
verschlafener
gradueerbaar
verbuigbaar
Voorbeelden
Er sah am Morgen ganz verschlafen aus. 

Hij zag er 's ochtends heel slaperig uit.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store