Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
für
01
voor
Zeigt, wem etwas gehört oder zugedacht ist
grammaticale informatie
Voorbeelden
Das Geschenk ist für dich.
Het cadeau is voor jou.
02
voor
Drückt Zustimmung oder Unterstützung aus
Voorbeelden
Ich bin für dieses Gesetz.
Ik ben voor deze wet.
03
voor
Gibt den Preis an
Voorbeelden
Ich habe das für zehn Euro gekauft.
Ik heb dat voor tien euro gekocht.
04
in plaats van, als vervanging voor
Drückt Ersatz oder Vertretung aus
Voorbeelden
Ich arbeite heute für meinen Kollegen.
Ik werk vandaag voor mijn collega.
05
vanwege
Gibt den Grund oder Anlass an
Voorbeelden
Für deinen Mut danke ich dir.
Voor je moed, dank ik je.
06
voor, gedurende
Gibt eine Zeitdauer an
Voorbeelden
Ich bleibe für zwei Wochen.
Ik blijf voor twee weken.
07
als, in de hoedanigheid van
Beschreibt eine Funktion oder Rolle
Voorbeelden
Sie arbeitet für Lehrerin.
Ze werkt voor lerares.
08
naar, voor
Zeigt eine Richtung oder Ziel an
Voorbeelden
Sag das bitte für mich.
Zeg dat voor mij, alsjeblieft.



























