Zoeken
fürchten
[past form: fürchtete]
01
vrezen, bang zijn voor
Sich Sorgen machen oder Angst vor etwas haben
Voorbeelden
Wir fürchten die Folgen der Entscheidung.
Wij vrezen de gevolgen van de beslissing.
02
vreesen, bang zijn voor
Angst vor jemandem oder etwas haben
Voorbeelden
Wir fürchten die Zukunft.
Wij vrezen de toekomst.


























