Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sonner
01
rinkelen, luiden
produire un son (cloche, téléphone, alarme, etc.)
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
sonne
1e persoon meervoud
sonnons
1e persoon toekomende tijd
sonnerai
onvoltooid deelwoord
sonnant
voltooid deelwoord
sonné
1e persoon meervoud imperfectum
sonnions
Voorbeelden
Son téléphone sonne en pleine réunion.
Zijn telefoon gaat over midden in de vergadering.
02
aanbellen, op de deurbel drukken
actionner une sonnette ou un carillon à une porte
Voorbeelden
On a sonné à l' entrée – va voir qui c' est !
Er werd aangebeld bij de ingang – ga kijken wie het is!



























