Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
provoquer
01
veroorzaken, uitlokken
être la cause directe d'un événement, d'une réaction ou d'un effet
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
provoque
1e persoon meervoud
provoquons
1e persoon toekomende tijd
provoquerai
onvoltooid deelwoord
provoquant
voltooid deelwoord
provoqué
1e persoon meervoud imperfectum
provoquions
Voorbeelden
Le tremblement de terre a provoqué de nombreux dégâts.
De aardbeving veroorzaakte veel schade.
02
uitdagen, weerstaan
ne pas céder face à quelqu'un, continuer à résister ou défier
Voorbeelden
Les manifestants ont provoqué les forces de l' ordre.
De demonstranten provoceren de ordetroepen.
03
uitlokken, oproepen
pousser quelqu'un à réagir ou à agir, souvent de façon forte ou négative
Voorbeelden
Ce geste peut provoquer une réaction violente.
Dit gebaar kan een gewelddadige reactie uitlokken.



























