Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
pencher
01
hellen, buigen
incliner ou courber quelque chose vers le bas
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
penche
1e persoon meervoud
penchons
1e persoon toekomende tijd
pencherai
onvoltooid deelwoord
penchant
voltooid deelwoord
penché
1e persoon meervoud imperfectum
penchions
Voorbeelden
Elle penche le vase pour verser l' eau.
Ze kantelt de vaas om het water te gieten.
02
zich bukken, zich voorover buigen
incliner son corps vers l'avant ou vers le bas
Voorbeelden
Il s' est penché pour entendre mieux.
Hij boog zich voorover om beter te horen.
03
onderzoeken, onderzoeken
porter son attention et son intérêt sur quelque chose pour l'étudier
Voorbeelden
Le gouvernement se penche sur la question du chômage.
De regering buigt zich over de kwestie van de werkloosheid.



























