interpeller
01
aanspreken, ter verantwoording roepen
adresser la parole à quelqu'un brusquement ou avec insistance
Voorbeelden
Elle a interpellé son amie de l' autre côté de la rue.
Ze riep haar vriendin aan de overkant van de straat.
02
aanhouden en ondervragen, stoppen en ondervragen
arrêter et questionner quelqu'un dans un cadre légal
Voorbeelden
La brigade anti-terroriste a interpellé 3 suspects.
De anti-terreurbrigade ondervroeg 3 verdachten.



























