Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
interpeller
01
aanspreken, ter verantwoording roepen
adresser la parole à quelqu'un brusquement ou avec insistance
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
interpelle
1e persoon meervoud
interpellons
1e persoon toekomende tijd
interpellerai
onvoltooid deelwoord
interpelant
voltooid deelwoord
interpellé
1e persoon meervoud imperfectum
interpellions
Voorbeelden
Elle a interpellé son amie de l' autre côté de la rue.
Ze riep haar vriendin aan de overkant van de straat.
02
aanhouden en ondervragen, stoppen en ondervragen
arrêter et questionner quelqu'un dans un cadre légal
Voorbeelden
La brigade anti-terroriste a interpellé 3 suspects.
De anti-terreurbrigade ondervroeg 3 verdachten.



























