Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
connaître
01
kennen
avoir appris ou posséder une compétence dans un domaine
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
connais
1e persoon meervoud
connaissons
1e persoon toekomende tijd
connaîtrai
onvoltooid deelwoord
connaissant
voltooid deelwoord
connu
1e persoon meervoud imperfectum
connaissions
Voorbeelden
Je connais bien cette langue.
Ik ken deze taal goed.
02
kennen, weten
avoir une connaissance de quelqu'un ou de quelque chose
Voorbeelden
Je connais bien cette ville.
Ik ken deze stad goed.
03
lijden, ondergaan
subir ou éprouver quelque chose de difficile ou désagréable
Voorbeelden
Beaucoup de pays connaissent la famine.
Veel landen kennen hongersnood.
04
ondervinden, beleven
être confronté à un événement positif comme le succès ou la renommée
Voorbeelden
Il a connu un grand succès dans sa carrière.
Heeft groot succes gekend in zijn carrière.
05
zichzelf kennen, zichzelf begrijpen
avoir une bonne connaissance de soi-même
Voorbeelden
Il est important de se connaître avant de prendre des décisions.
Het is belangrijk om jezelf te kennen voordat je beslissingen neemt.
06
elkaar kennen, wederzijds kennen
avoir une connaissance réciproque avec quelqu'un
Voorbeelden
Nous nous connaissons depuis l'école.
We kennen elkaar sinds de school.



























