Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bâiller
01
geeuwen, de mond openen tijdens het geeuwen
ouvrir involontairement la bouche profondément en inspirant, par fatigue ou ennui
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
bâille
1e persoon meervoud
bâillons
1e persoon toekomende tijd
bâillerai
onvoltooid deelwoord
bâillant
voltooid deelwoord
bâillé
1e persoon meervoud imperfectum
bâillions
Voorbeelden
Les élèves bâillaient en écoutant le professeur.
De leerlingen gaapten terwijl ze naar de leraar luisterden.



























