Zoeken
blanquear
01
bleken, ophelderen
hacer que algo se vuelva blanco o más claro
Voorbeelden
El producto químico blanqueó la madera dándole un aspecto nuevo.
De chemische stof bleekte het hout, waardoor het een nieuwe uitstraling kreeg.
02
blancheren, overgieten met kokend water
sumergir brevemente un alimento, usualmente verduras, en agua hirviendo
Voorbeelden
Para congelar las espinacas, primero debes blanquearlas.
Om spinazie in te vriezen, moet je het eerst blancheren.
03
wit worden, bleken
volverse blanco o más pálido
Voorbeelden
La tela colorida se blanqueó accidentalmente con lejía.
Het kleurrijke weefsel is per ongeluk gebleekt met bleekmiddel.
04
witwassen, geld witwassen
dar apariencia legal a dinero obtenido de forma ilegal
Voorbeelden
El gobierno aprobó leyes más duras para blanquear dinero obtenido por corrupción.
De regering heeft strengere wetten goedgekeurd om geld dat door corruptie is verkregen te wassen.



























