Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
salir
01
uitgaan, vertrekken
ir fuera de un lugar o abandonar un sitio
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
salgo
3e persoon enkelvoud
sale
onvoltooid deelwoord
saliendo
onvoltooid verleden tijd
salí
voltooid deelwoord
salido
Voorbeelden
Ella siempre sale temprano del trabajo.
Ze verlaat altijd vroeg het werk.
02
afwijken
salir de un lugar o camino, a veces cambiando de dirección o desviándose
Voorbeelden
El coche se salió de la carretera por la lluvia.
De auto reed van de weg af door de regen.
03
vertrekken
irse o alejarse de un lugar hacia otro
Voorbeelden
El tren sale a las ocho.
De trein vertrekt om acht uur.
04
opkomen, rijzen
dicho del sol o la luna, aparecer en el horizonte al comenzar el día o la noche
Voorbeelden
El sol sale cada mañana por el este.
De zon komt elke ochtend op in het oosten.
05
uitgaan met
tener una relación amorosa con alguien
Voorbeelden
Ella sale con su compañero de trabajo.
Ze gaat uit met haar collega.
06
vertrekken
apartarse o alejarse de un lugar o grupo, a menudo de manera inesperada o voluntaria
Voorbeelden
Me salí de la reunión antes de que terminara.
Ik verliet de vergadering voordat deze eindigde.



























