Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to abide
01
wonen, verblijven
to live or stay in a particular place
Intransitive: to abide somewhere
Voorbeelden
The nomadic tribe traditionally abides in temporary dwellings.
De nomadische stam woont traditioneel in tijdelijke woningen.
02
verdragen, tolereren
(always negative) to tolerate someone or something
Transitive: to abide sb/sth
Voorbeelden
He could n't abide the arrogance of the new manager, leading him to consider finding a job elsewhere.
Hij kon de arrogantie van de nieuwe manager niet verdragen, wat hem ertoe bracht om elders een baan te zoeken.



























