to suffice
Pronunciation
/səˈfaɪs/

Definitie en betekenis van "suffice"in het Engels

to suffice
01

volstaan, voldoende zijn

to be enough or adequate for a particular purpose or requirement
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
suffice
3e persoon enkelvoud
suffices
onvoltooid deelwoord
sufficing
onvoltooid verleden tijd
sufficed
voltooid deelwoord
sufficed
Voorbeelden
Will one coat of paint suffice, or should we apply another layer?
Zal één laag verf volstaan, of moeten we nog een laag aanbrengen?
02

volstaan, voldoen

to be sufficient to meet a person's standards, needs, or desires
Voorbeelden
A few encouraging words should suffice them for now.
Een paar bemoedigende woorden zouden voor nu volstaan.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store