Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
overspanning, brug
a structure that crosses an obstacle such as a river, canal, or railway
Voorbeelden
The railway span was constructed in 1920.
De spoorwegoverspanning werd in 1920 gebouwd.
02
paar, span
two items of the same kind, often paired together
Voorbeelden
The farmer owned a span of horses.
De boer bezat een paar paarden.
03
tijdsduur, periode
the total duration or extent of time something lasts
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
spans
Voorbeelden
They married within a span of two years after meeting.
Ze trouwden binnen een tijdsbestek van twee jaar na elkaar te hebben ontmoet.
04
afstand, omvang
the distance, extent, or interval between two points
Voorbeelden
A span of the river separates the two villages.
Een stuk van de rivier scheidt de twee dorpen.
05
spreiding, wijdte
the position of sitting or standing with the legs spread apart
Voorbeelden
He demonstrated a span over the two chairs.
Hij toonde een spanwijdte over de twee stoelen.
06
overspanning, afstand tussen steunpunten
the area between two supports, as in a bridge or arch
Voorbeelden
The span between the columns was reinforced.
De overspanning tussen de kolommen werd versterkt.
07
span, handbreedte
a unit of length based on the width of an outstretched human hand
Voorbeelden
The artifact was about a span long.
Het artefact was ongeveer een span lang.
to span
01
beslaan, duren
to cover or last the whole of a period of time
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
span
3e persoon enkelvoud
spans
onvoltooid deelwoord
spanning
onvoltooid verleden tijd
spanned
voltooid deelwoord
spanned
Voorbeelden
The project will span the entire semester, from September to December.
Het project zal het hele semester beslaan, van september tot december.



























