Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to romp
01
spelen, rennen
to play or run in a lively, carefree, or noisy way
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
romp
3e persoon enkelvoud
romps
onvoltooid deelwoord
romping
onvoltooid verleden tijd
romped
voltooid deelwoord
romped
Voorbeelden
The puppies romped across the field, chasing each other.
De puppy's renden vrolijk over het veld, terwijl ze elkaar achterna zaten.
02
gemakkelijk winnen, zonder moeite zegevieren
to win a contest with little effort
Voorbeelden
She romped through the finals, defeating every opponent in minutes.
Ze wandelde door de finale heen en versloeg elke tegenstander in minuten.
03
voortgaan opgewekt, vrolijk verder gaan
to proceed in a quick or cheerful way
Voorbeelden
She romped through the novel in a single afternoon.
Ze heeft de roman in één middag verslonden.
01
een wandeling, een kinderspel
a contest won with little effort
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
romps
Voorbeelden
Their 6–0 win was a total romp.
Hun 6-0 overwinning was een totale makkelijke overwinning.
02
stoeipartij, pret
a cheerful activity done for fun
Voorbeelden
The kids had a wild romp in the backyard.
De kinderen hadden een uitbundige stoeipartij in de achtertuin.
03
een tomboy, een levendig meisje
a girl who behaves in a tomboyish, lively, or energetic
Voorbeelden
She was a spirited romp, always climbing trees and chasing frogs.
Ze was een levendige deugniet, altijd in bomen klimmend en kikkers achternazittend.



























