Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to loiter
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
loiter
3e persoon enkelvoud
loiters
onvoltooid deelwoord
loitering
onvoltooid verleden tijd
loitered
voltooid deelwoord
loitered
Voorbeelden
We loitered in the park, walking slowly under the shade of the trees, enjoying the cool breeze.
We dwaalden rond in het park, wandelden langzaam onder de schaduw van de bomen en genoten van de koele bries.
02
rondhangen, drentelen
to stand around in a public place without an apparent or clear purpose
Intransitive: to loiter somewhere
Voorbeelden
Local residents often complain about people who loiter outside their homes
Lokale bewoners klagen vaak over mensen die rondhangen buiten hun huizen.



























