Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to live out
[phrase form: live]
01
buiten wonen, buiten verblijven
to live in a location separate from one's primary place of activity
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
out
basiswerkwoord
live
tegenwoordige tijd
live out
3e persoon enkelvoud
lives out
onvoltooid deelwoord
living out
onvoltooid verleden tijd
lived out
voltooid deelwoord
lived out
Voorbeelden
The factory workers lived out in the surrounding towns, traveling to the plant each day.
De fabrieksarbeiders woonden buiten in de omliggende steden en reisden elke dag naar de fabriek.
02
leven tot het einde, de rest van zijn leven doorbrengen
to continue living in a certain way until the end of one's life
Voorbeelden
She lived out her life to the fullest, embracing every moment and pursuing her passions.
Ze leefde haar leven ten volle, omarmde elk moment en volgde haar passies.
03
verwezenlijken, leven
to make one's dreams and aspirations a reality
Voorbeelden
The athlete lived out their childhood dreams of Olympic glory by dedicating their life to training and competing.
De atleet verwezenlijkte zijn kinderdromen van Olympische glorie door zijn leven te wijden aan training en competitie.



























