Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zählen
01
tellen, opsommen
Zahlen der Reihe nach sagen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
zähle
3e persoon enkelvoud
zählt
onvoltooid deelwoord
zählend
onvoltooid verleden tijd
zählte
voltooid deelwoord
gezählt
Voorbeelden
Zähl bitte das Geld.
Tel alsjeblieft het geld.
02
tellen, opsommen
Eine bestimmte Anzahl von Mitgliedern haben
Voorbeelden
Die Klasse zählt nur zehn Schüler.
De klas telt slechts tien leerlingen.
03
tellen, belangrijk zijn
Wichtig oder gültig sein
Voorbeelden
In dieser Prüfung zählt jede Minute.
In dit examen telt elke minuut.
04
rekenen tot, beschouwen als
Als Teil von etwas betrachten
Voorbeelden
Er zählt das Buch zu seinen Favoriten.
Hij rekent het boek tot zijn favorieten.



























