Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
stimmen
01
correct zijn, waar zijn
Korrekt oder wahr sein
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
stimme
3e persoon enkelvoud
stimmt
onvoltooid deelwoord
stimmend
onvoltooid verleden tijd
stimmte
voltooid deelwoord
gestimmt
Voorbeelden
Das stimmt!
Dat is waar !
02
veroorzaken, inspireren
Eine bestimmte Stimmung oder Gefühl bei jemandem hervorrufen
Voorbeelden
Diese Nachricht stimmt mich nachdenklich.
Dit bericht stimuleert me om na te denken.
03
stemmen, zijn stem uitbrengen
Seine Meinung offiziell äußern, z. B. bei einer Wahl
Voorbeelden
Wer hat mit Ja gestimmt?
Wie heeft ja gestemd?
04
stemmen, afstellen
Ein Musikinstrument in die richtige Tonhöhe bringen
Voorbeelden
Sie stimmte die Geige vor dem Konzert.
Ze stemde de viool voor het concert.



























