Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
einziehen
01
intrekken, zich vestigen
In eine neue Wohnung oder ein neues Haus gehen, um dort zu wohnen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
ein
basiswerkwoord
ziehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
ziehe ein
3e persoon enkelvoud
zieht ein
onvoltooid deelwoord
einziehend
onvoltooid verleden tijd
zog ein
voltooid deelwoord
eingezogen
Voorbeelden
Meine Schwester ist gerade in Berlin eingezogen.
Mijn zus is net naar Berlijn verhuisd.
02
doordringen, worden opgenomen
In etwas eindringen oder aufgenommen werden
Voorbeelden
Die Farbe ist gut ins Papier eingezogen.
De kleur is goed in het papier getrokken.
03
binnengaan, binnendringen
In ein Gebiet oder Gebäude hineingehen oder eintreten
Voorbeelden
Die Gäste zogen feierlich in die Halle ein.
De gasten traden plechtig de zaal binnen.



























