Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
einziehen
01
intrekken, zich vestigen
In eine neue Wohnung oder ein neues Haus gehen, um dort zu wohnen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
ein
basiswerkwoord
ziehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
ziehe ein
3e persoon enkelvoud
zieht ein
onvoltooid deelwoord
einziehend
onvoltooid verleden tijd
zog ein
voltooid deelwoord
eingezogen
Voorbeelden
Wir ziehen nächste Woche in die neue Wohnung ein.
We verhuizen volgende week naar het nieuwe appartement.
02
doordringen, worden opgenomen
In etwas eindringen oder aufgenommen werden
Voorbeelden
Die Creme zieht schnell in die Haut ein.
De crème trekt snel in de huid.
03
binnengaan, binnendringen
In ein Gebiet oder Gebäude hineingehen oder eintreten
Voorbeelden
Die Soldaten sind in die Stadt eingezogen.
De soldaten zijn de stad binnengekomen.



























