Zoeken
Das Eis
[gender: neuter]
01
ijs, ijsklontje
Wasser im gefrorenen Zustand
Voorbeelden
Im Winter liegt viel Eis auf der Straße.
In de winter ligt er veel ijs op de straat.
02
ijs, roomijs
Gefrorene Süßspeise aus Milch oder Sahne
Voorbeelden
Sie hat drei Kugeln Eis bestellt.
Ze heeft drie bollen ijs besteld.


























