roucouler
Pronunciation
/ʁukulˈe/

Definitie en betekenis van "roucouler"in het Frans

roucouler
01

koeren, kirren

pousser le cri doux d'un pigeon ou d'une tourterelle
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
roucoule
1e persoon meervoud
roucoulons
1e persoon toekomende tijd
roucoulerai
voltooid deelwoord
roucoulé
1e persoon meervoud imperfectum
roucoulions
Voorbeelden
Le jeune pigeon roucoule près de sa mère.
De jonge duif koert in de buurt van zijn moeder.
02

koeren, teder spreken

parler doucement et affectueusement à quelqu'un
Voorbeelden
Ils roucoulent au téléphone tous les soirs.
Zij koeren elke avond aan de telefoon.
03

koeren, zachtjes zingen

chanter ou gazouiller d'une voix douce et amoureuse
Voorbeelden
Les tourterelles roucoulent pendant tout le printemps.
De tortelduiven koeren de hele lente.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store