Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
roucouler
01
koeren, kirren
pousser le cri doux d'un pigeon ou d'une tourterelle
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
roucoule
1e persoon meervoud
roucoulons
1e persoon toekomende tijd
roucoulerai
voltooid deelwoord
roucoulé
1e persoon meervoud imperfectum
roucoulions
Voorbeelden
Le jeune pigeon roucoule près de sa mère.
De jonge duif koert in de buurt van zijn moeder.
02
koeren, teder spreken
parler doucement et affectueusement à quelqu'un
Voorbeelden
Ils roucoulent au téléphone tous les soirs.
Zij koeren elke avond aan de telefoon.
03
koeren, zachtjes zingen
chanter ou gazouiller d'une voix douce et amoureuse
Voorbeelden
Les tourterelles roucoulent pendant tout le printemps.
De tortelduiven koeren de hele lente.



























