Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
essuyer
01
afvegen, schoonmaken
enlever la saleté ou les traces en frottant avec un tissu
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
essuie
1e persoon meervoud
essuyons
1e persoon toekomende tijd
essuierai
onvoltooid deelwoord
essuyant
voltooid deelwoord
essuyé
1e persoon meervoud imperfectum
essuyions
Voorbeelden
J' ai essuyé la poussière sur les étagères.
Ik veegde het stof van de planken.
02
ondergaan, verdragen
subir une critique, un échec ou une attaque
Voorbeelden
Notre équipe essuie une défaite après dix victoires.
Ons team lijdt een nederlaag na tien overwinningen.



























