Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
tener
01
hebben
poseer algo o contar con algo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
tengo
3e persoon enkelvoud
tiene
onvoltooid deelwoord
teniendo
onvoltooid verleden tijd
tuve
voltooid deelwoord
tenido
Voorbeelden
Tengo un coche nuevo.
Ik heb een nieuwe auto.
02
hebben
experimentar o sentir algo, como miedo, hambre o sueño
Voorbeelden
Tengo hambre.
Honger hebben.
03
hebben
poseer o haber programado algo
Voorbeelden
Tengo una reunión importante mañana.
04
dragen, aanhebben
llevar puesto algo, como ropa o accesorios
Voorbeelden
Él tiene un sombrero rojo.
05
moeten, verplicht zijn
expresar obligación o necesidad de hacer algo
Voorbeelden
Tengo que estudiar para el examen.
Ik moet studeren voor het examen.
06
zijn
indicar cuántos años posee alguien
Voorbeelden
Tengo veinte años.
Ik ben twintig jaar oud.
07
bij zich hebben, dragen
verbo que indica que alguien lleva algo consigo
Voorbeelden
¿Tienes tu pasaporte contigo?
Heeft u uw paspoort bij u ?
08
hebben
verbo que indica posesión de cualidades, características o rasgos
Voorbeelden
Mi hermano tiene el pelo rizado.
Mijn broer heeft krullend haar.
09
hebben, lijden aan
padecer o estar afectado por una enfermedad o condición
Voorbeelden
Tengo fiebre desde ayer.



























