to appoint
a
ə
ē
ppoint
ˈpɔɪnt
poynt
repointpointeoutpointanoint

Definitie en betekenis van "appoint"in het Engels

to appoint
01

aanstellen, benoemen

to give a responsibility or job to someone 
Transitive: to appoint sb
to appoint definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
appoint
3e persoon enkelvoud
appoints
onvoltooid deelwoord
appointing
onvoltooid verleden tijd
appointed
voltooid deelwoord
appointed
Voorbeelden
The manager decided to appoint a new team leader to oversee the project. 

De manager besloot een nieuwe teamleider aan te stellen om het project te overzien.

02

uitrusten, inrichten

to equip or furnish a space with the necessary or proper items 
Transitive: to appoint a place
Voorbeelden
They appointed the living room with luxurious sofas and antique decorations. 

Ze hebben de woonkamer ingericht met luxe banken en antieke decoraties.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store